De ontsteking

Hier staat beschreven hoe de ontsteking van de FS1 werkt. Ook staat hier beschreven hoe problemen opgelost kunnen worden met de elektra en er staan verschillende meetwaardes in.

 
Werking van de ontsteking

De ontsteking van een Yamaha FS1 is een vliegwielontsteking met een bobine. Wanneer het vliegwiel draait wordt in de ontstekingsspoel een wisselspanning opgewekt.
Als de contactpunten gesloten zijn, dan loopt de stroom weg naar de massa: de ontstekingsspoel is kortgesloten en de bobine krijgt geen stroom.
Zodra de contactpunten openen loopt er stroom door de primaire wikkeling van de bobine en deze wekt (door middel van de inductie, transformatiewerking) in de secundaire wikkeling een hoge spanning op (ongeveer 10.000 Volt), die bij de bougie een vonk veroorzaakt.

De condensator in de ontsteking heeft hierbij twee functies:

- Het tegengaan van een sterke vonkvorming tussen de contactpunten
- Het verhogen van de inductiespanning in de bobine

Tevens levert de vliegwielmagneet (via de lichtspoel) de stroom voor de 6V elektrische installatie en dus ook voor het opladen van de accu.

 

1. Bougiekabel
2. Bougie
3. Bobine
4. Contactschakelaar
5. Contactpunten
6. Nok
7. Vliegwiel
8. Condensator
9. Voedingsspoel

Contactpunten

De contactpunten zijn er dus om ervoor te zorgen dat op het juiste moment de stroom door de primaire winding van de bobine loopt. Vaak zijn ze dan ook het probleem van het slecht of soms helemaal niet lopen van een motorblok.

Om de contactpunten te controleren moet als eerste het ontstekingsdeksel verwijderd worden.
Vervolgens moet worden gecontroleerd of de raakvlakken van de contactpunten (soort koolstof) recht op elkaar staan.

Ingebrande, versleten of wit uitgeslagen punten moeten worden vervangen.

Lichte afwijkingen kunnen eventueel met een vijltje verholpen worden. Let hierbij wel op het verwijderen van eventueel slijpsel.

Over het afstellen van de ontsteking staat op het forum een FAQ, klik hier om dat te lezen.
 

Condensator

Op het moment dat de contactpunten openen slaat de condensator een elektrostatische lading op. Zodra de contactpunten sluiten ontlaadt de condensator.
Wanneer er geen condensator zou zijn, zou er een grote vonk bij de contactpunten ontstaan. Dit zou een inbranding veroorzaken!
De condensator reduceert dus het inbranden van de contactpunten en heeft dus een grote invloed op de stroomsterkte in de primaire winding van de bobine.

Om de condensator te testen is een doormeetapparaat nodig (een multimeter).

Als de condensator op de multimeter is aangesloten moet deze worden ingesteld voor het meten van weerstand (Ω of R).
De impendantiewaardes van de condensator (weerstand ervan) hoort als volgt te zijn:

Minimale weerstand: 3MΩ (ofwel 3000 kΩ), vanaf 1981: 5MΩ (ofwel 5000 kΩ).
Mocht er over een capaciteitsmeter beschikt kunnen worden, dan ligt de capaciteit van de condensator rond de 0,25 mF.

LET OP! Om een elektrische schok te voorkomen na het doormeten moet de condensator even ontladen worden met behulp van een dikke draad.


Bobine

Om de werking van de bobine te controleren is wederom een doormeetapparaat nodig (multimeter).
De vonkafstand moet minimaal 10mm bedragen en vanaf 5000 toeren 13mm.
Nu moet ook hier de inductiewaarde (weerstand) overeenkomen, anders houd het in dat de bobine kapot is.

1 - Doormeten primaire winding, tussen zwarte draad en massa
2 - Doormeten secundaire winding, tussen bougiekabel en massa

Verwijder wel de bougiedop anders meet je ook de weerstand daarvan!

Primaire winding: 0.6Ω voor de modellen tot 1975 en 1,0Ω voor de latere modellen.
Secundaire winding: 5.3kΩ voor de modellen tot 1975 en 6.0kΩ voor de latere modellen.

De meetwaarden hiervan mogen maximaal 15% afwijken. Ook de voedingsspoel (in de ontsteking) kan op deze wijze doorgemeten worden, deze moet een waarde hebben van 1,64Ω.

   

« Home »

Copyright © 2006-2010 FS1forum.com
Contact | Disclaimer | Sitemap